“Toch altijd met een dubbel gevoel”
Op 18 maart om kwart voor elf in de ochtend viel Nederland stil. De zinloze aanslag in sneltram 61 ontnam bijna iedereen de adem. Behalve bij de hulpverleners. Die kwamen – voor én achter de schermen – heel gericht en gedecideerd in actie. Bijvoorbeeld in het UMC Utrecht, waar in een mum van tijd het calamiteitenhospitaal paraat was. Marjolein de Raad-van Soest, Mendel van Griethuysen en Wim van den Hoeven blikken terug.
Veertig minuten na de schoten in de tram gingen de mobieltjes rinkelen. De belboom was in werking gesteld en de computer begon razendsnel berichten te versturen. Op zijn telefoon laat Mendel de oproep zien, die verscheen toen hij in de gipskamer aan het werk was. Met de opties ‘ja’ en ‘nee’. “Je geeft meteen aan of je wel of niet komt. Zeg je ‘nee’ dan gaat de computer meteen verder naar de volgende op de lijst”, merkt hij op. Voor hem was het een echte no-brainer – zoals de Engelsen passend zeggen – want vijf minuten later stond hij in de kelder.

Het calamiteitenhospitaal in het UMC Utrecht bestaat sinds 1991. Met verschillende openstellingen in de jaren. Dat gebeurt als het verwachte aantal gewonden de capaciteit van de regionale ziekenhuizen overstijgt. De meldkamer bepaalt dan of de gewondentransporten naar het calamiteitenhospitaal worden gedirigeerd. Dan treedt een procedure in werking die reikt van de beoordeling van de traumatoloog en toestemming van het UMC-bestuur, via de alarmering van de medewerkers tot en met het inschakelen van apparatuur en verlichting. Binnen een half uur is het ziekenhuis dan bemenst en operationeel.
Bedden in een kelder
Die kelder is dan een oneerbiedige beschrijving van een compleet en functioneel ziekenhuis dat onder in het UMC Utrecht is verborgen. “De ruimte is in de koude oorlog als atoomschuilkelder gebouwd. Maar toen Gorbatsjov en Reagan de vrede tekenden, kwamen de ruimten leeg te staan”, vertelt Wim. Anderhalf jaar geleden is hij gestopt op de afdeling en nu is hij fulltime hoofd van het calamiteitenziekenhuis. “Het was ook de tijd van de Falkland-oorlog, waarin gewonde Britse militairen door de algemene ziekenhuizen werden geweigerd. Vanwege MRSA en ander besmettingsgevaar door ziektekiemen. Dat zette in Nederland bepaalde mensen aan het denken. Wij hebben ook militairen op buitenlandse missies. Wat doen wij in zo’n geval met onze gewonden? Daarop kwam iemand op het idee om in de voormalige atoomkelder bedden neer te zetten.” Dat aantal paar bedden groeide in 28 jaar uit tot een volledig zelfstandig opererend calamiteitenhospitaal anno nu.
“Bij de klapdeuren stopt het ‘polderen”.
Volgens strakke lijnen
Daar kwam Marjolein die bewuste 18e maart als één van de eersten door de klapdeuren. Als lid van het commandoteam moet ze namelijk alle activiteiten binnen het hospitaal gaan aansturen. “Bij de deuren stopt dan ook meteen het ‘polderen’. Binnen is er geen sprake meer van overleg of discussie, maar gaat het alleen maar om strakke instructies. Als je zo uit je dagelijks werk boven komt, moet er wel even een knop om”, geeft ze aan. Haar eigen dagelijkse praktijk bevindt zich op de Spoedeisende Hulp, waar ze teammanager is. “Van daaruit ken en herken ik natuurlijk al veel van wat er in het calamiteitenhospitaal gebeurt. Maar hier gaat het allemaal nog veel strikter en volgens afgesproken lijnen.” Deze ‘militaire’ aanpak komt sprekend tot leven als we in de commandoruimte komen. Een kamer met immense beeldschermen, een grote vergadertafel en een zaal gevuld met gemarkeerde stoelen. Iedere functionaris heeft zijn eigen plekje. “En wie geen stoel heeft, komt hier niet binnen!”

Bij rampen met meer dan vijf gewonden of bij besmettingsgevaar door infectieziekten komt het calamiteitenhospitaal in actie. Verder vinden er regelmatig oefeningen plaats. Tussen deze gebeurtenissen door zijn de ruimten in de voormalige atoomkelder donker en verlaten. Alleen het hoofd van het calamiteitenhospitaal heeft er een kantoor. Verder zorgen twee medewerkers ervoor dat alle apparatuur en materialen startklaar staan. Zodat alles, als het nodig is, helemaal functioneert.
De taak van de petten
Die opmerking gaat vloeiend verder in het verhaal van de petten. Het drietal neemt ons mee naar de speciale kamer met in een stellingkast gekleurde baseballcaps. Met op elke pet een vetgedrukte functietitel. Wim: “Op de werkvloer is zo overduidelijk wie wat doet. Die mensen met de petten zijn dan allemaal medewerkers die feitelijk niet in actie komen. Zij verrichten geen handelingen aan het bed, zal ik maar zeggen.” Ter illustratie gaat hij op een gekleurde driehoek voor het vak met vier bedden staan. “Exact op deze driehoek staat een persoon met een pet die alleen maar toezicht houdt op de mensen aan de bedden. Die zijn druk bezig met de daadwerkelijke hulp. De mensen met de petten sturen dus alleen aan. Het is niet de bedoeling dat ze zelf gaan helpen. Die strikte opzet is nodig om heel gericht en daadkrachtig te blijven handelen. In noodsituaties van deze omvang dien je steeds de juiste prioriteiten te stellen. Terwijl je ook heel geconcentreerd bezig moet zijn met de handelingen. Met deze duidelijke structuur scheiden we het handelen aan het bed van de beslissingen in het proces. En die scheiding heb je gewoon nodig in noodgevallen met een grote omvang.” Het is dan ook een werkwijze die regelmatig wordt geoefend. Waardoor het in de tijd een heel vertrouwde manier van werken is geworden op het moment dat het ertoe doet.
“Het kwam dit keer wel heel erg dichtbij”.
Veel sneller dan gedacht
Toch brachten de gebeurtenissen van 18 maart de geoliede machine even uit balans. Niet zo zeer in de handelingswijze of -snelheid maar meer in de hoofden van de verpleegkundigen, artsen en ondersteunende medewerkers. “De eerste ambulance kwam al heel snel binnen. Eigenlijk veel sneller dan gedacht”, herinnert Mendel zich. “Bij eerdere rampen hadden we meer aanlooptijd. Zoals bij de de Dan had je vaak ruim de tijd om je er mentaal op voor te bereiden. Maar omdat dit in onze eigen stad gebeurde, waren de eerste gewonden binnen vijf minuten hier. Eigenlijk op het moment dat ik binnen liep.” De anderen vullen voor het goede begrip aan dat – voor die eerste ambulance arriveert bij het calamiteitenziekenhuis – op de rampplek nog het een en ander plaatsvindt. De politie die als eerste ter plekke is en de situatie beoordeelt. Vervolgens het ambulancepersoneel dat in actie komt. “Vanuit hun beoordelingen op locatie gaat er een sein richting de meldkamer. En die oordeelt dat het calamiteitenziekenhuis opengesteld moet gaan worden.”

Grote indruk
Maar wat de medewerkers nog het meest raakte, was toch wel de aard van de verwondingen en de conditie van de gewonden. “Die maakten een grote indruk op iedereen. Dat voelde je overal in het hospitaal. Ondanks dat je zelf echt wel het een en ander hebt gezien in je werk. Dit was van een ander formaat”, vertelt het drietal. Ze hebben dan ook zeker het besef dat dit bij de jongere of minder ervaren collega’s hard binnenkomt. En al helemaal bij de medewerkers die er in hun dagelijkse werk helemaal niet mee te maken hebben. Marjolein: “Het heeft het belang van goede nazorg ook benadrukt. Dit heeft zo’n grote impact – vooral psychisch – dat je de mensen na afloop niet zomaar aan hun lot kunt overlaten. Daarvoor was dit te heftig, ook voor professionals die misschien wel wat gewend denken te zijn.” Wim vult aan dat daarom na elke openstelling ook een uitgebreide evaluatie volgt. “Natuurlijk hebben we heel veel voorbereid. Daar besteed ik als hoofd van het calamiteitenziekenhuis, ook een belangrijk deel van mijn dagelijkse werk aan. Maar er zijn altijd leer- en verbeterpunten.”
Naast de verpleegkundigen en artsen hebben ook secretaresses, financieel en administratief medewerkers en ander ondersteunend personeel een belangrijke taak in het calamiteitenziekenhuis. Daarnaast zijn er speciale communicatiemedewerkers die de media begeleiden. En vrijwilligers van het Rode Kruis zorgen voor de opvang van de naaste familie.
De moeite waard
Wat blijft, is een gevoel van ‘juichen met de handen in de zakken’. Waarbij Wim de uitspraak van een collega leent om de uiteindelijke sensatie na afloop te beschrijven. “Toch is en blijft het een heel dubbel gevoel. Je weet dat alles wat je geoefend hebt, perfect is verlopen. Dat wil je eigenlijk vieren. Maar tegelijkertijd heb je iets heel ingrijpends en emotioneels meegemaakt. Met zoveel gevolgen voor alle betrokkenen. Ook dat zit ingebakken in dit werk.” Toch vinden ze het alledrie absoluut de moeite waard om deze taak naast hun eigenlijke werk te blijven verrichten. “Je leert er ontzettend veel van. Nog steeds. En je hebt de kans om in noodsituaties inderdaad echt een rol van betekenis te spelen. Zo voelen we dat wel.”
“Beslissen en handelen aan het bed zijn hier twee aparte dingen”.
Andere lading
Een ander belangrijk leerpunt was in dit geval de vermenging van werk met privé. “Op een gegeven moment krijg je een telefoontje vanuit de school van je kinderen. Dat ze niet naar de buitenschoolse opvang kunnen, maar dat ze moeten worden opgehaald. Dan word je opeens heel ruw naar de alledaagse werkelijkheid getrokken. Je hebt namelijk ook kinderen in deze stad, waar alles en iedereen beïnvloed wordt door de aanslag. Inclusief je eigen thuis. Dat voegt opeens een totaal andere lading toe aan dat intensieve werk waar je helemaal op gefocust bent. Het kwam dit keer wel heel erg dichtbij”, aldus Marjolein en Mendel. Ook dat is een factor die bij de lijst met aandachtspunten wordt toegevoegd. “Zo groei je steeds verder. Jammer genoeg vanuit een heel onaangename aanleiding die niemand eigenlijk wil zien gebeuren.”